Uit het archief van DolomitiBelluno — oorspronkelijke tekst van Cristina Da Rold, in het Italiaans gepubliceerd op 2 augustus 2017. Vertaling van de redactie.
Het is niet makkelijk om het waarom uit te leggen van een keuze als die om in de provincie te wonen zonder in retoriek te vervallen en zonder te veel van je eigen binnenwereld prijs te geven. Het is veel eenvoudiger om het “hoe” toe te lichten dan het “waarom” van het feit dat ik door heel Italië werk, soms ook buiten Italië, terwijl ik met trots in Belluno woon. Eerlijk gezegd is het de eerste keer dat ik mijn gedachten zwart op wit op een rij zet, en ik bedank super Michele Sacchet, die mij deze uitdaging voorlegde, en die bovendien degene is die me hielp het huis te vinden dat ik wilde, juist hier in Belluno: het huis van waaruit ik dus vanuit de bergen werk, en vanaf het balkon waarvan ik ook nu schrijf, met uitzicht op de Nevegal.
Om kort te gaan: ik ben journalist en houd me vooral bezig met gezondheid, gezondheidszorg en milieu. Dat zeg ik als ik het kort wil houden, bijna altijd dus, want over mijn werk vertellen is niet eenvoudig: als ik zeg dat ik journalist ben, ziet men het bohemienachtige beeld voor zich van de verslaggeefster die haar dagen doorbrengt op zoek naar nieuws dat ze in verfomfaaide schriften noteert, en die ’s nachts schrijft. En de reactie is: “maar hoe doe je dat dan vanuit Belluno, sorry?” In werkelijkheid is mijn werk iets heel anders. Ik ben zelfstandige en schrijf onder meer journalistieke artikelen voor wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke tijdschriften, voornamelijk online, maar daarnaast bied ik ook persdiensten, socialemediabeheer en advies voor communicatieprojecten van uiteenlopende aard aan, altijd op het gebied van gezondheid, voor publieke instellingen (lokale gezondheidsdiensten, wetenschappelijke congressen, universitaire projecten) of private (wetenschappelijke uitgeverijen, communicatiebureaus).
Hoewel ik eerst Longarone en nu Belluno als uitvalsbasis heb, heb ik tot nu toe nooit met organisaties uit Belluno gewerkt, al hoop ik dat het er vroeg of laat van komt. Ik werk samen met kranten en tijdschriften die elders gevestigd zijn, in Milaan, Rome, Triëst, Perugia, Turijn, Venetië, Pisa, en hetzelfde geldt voor de rest van mijn activiteiten en de projecten waarbij ik betrokken word. (Meer details hier)
Het centrale punt is de mogelijkheid om op afstand te werken, iets wat mogelijk wordt gemaakt door internet, dat gratis platforms beschikbaar stelt zoals Slack – om er maar één te noemen – waarmee je kunt samenwerken met collega’s die zich fysiek elders in Italië of in de wereld bevinden. We hebben Skype om elkaar ook van aangezicht tot aangezicht te spreken, gratis en overal ter wereld, en om deskundigen te interviewen (en zelfs om een aperitief te drinken, spritz in de hand, met vrienden aan de andere kant van de wereld!), Google Drive en Dropbox om documenten te delen en er met vier of meer handen aan te werken alsof we aan dezelfde tafel zaten. En vooral hebben we het net, dat ons ook vanuit huis toegang geeft tot documenten, informatie en databases, alsof ik in een willekeurig kantoor in de stad zat.
En als het om welke reden dan ook nodig is om ter plaatse te zijn, volstaat het gelukkig om een trein of een vliegtuig te nemen. Mijn persoonlijke compromis was een huis kiezen op een rustige, groene plek, maar van waaruit ik te voet het treinstation kon bereiken, want treinen neem ik heel wat.
Natuurlijk leent niet elk beroep zich voor deze manier van werken, maar ik denk dat de meeste zogenaamd “intellectuele” beroepen het vandaag toelaten. En ik geloof – en dat is de kern van deze kleine bijdrage van mij – dat dit alles tastbare voordelen kan opleveren, zowel voor onze persoonlijke dimensie als voor het leven in de provincie, en meer in het algemeen voor het verspreiden van een cultuur van “tegen-verstedelijking”, in de zin dat gedwongen verstedelijking niet noodzakelijk is.
U zult me de lange inleiding vergeven waarin ik heb moeten uitweiden over wat ik doe, maar anders zou wat volgt wat duister zijn overgekomen. En u zult het me vergeven als dit stuk nu bij vlagen nog persoonlijker wordt. Bij mij gaan het “hoe” en het “waarom” uit het begin noodzakelijk hand in hand. In de paar jaar sinds ik ben gaan werken heb ik geprobeerd mijn beeld van hoe werk moet zijn aan te passen aan een idee van leven dat ik voor mezelf juister vond. Uiteraard is de kern van de zaak dat ik nu eenmaal zo in elkaar zit: ik houd van de natuur, van rust, van plekken zonder drukte. Ik houd ervan dat er planten en bloemen om me heen zijn, en ik houd ervan nee te kunnen zeggen en mijn tijd zoveel mogelijk te besteden aan dingen die me echt interesseren. Ik houd niet van flatgebouwen, niet van verkeer, en ik houd niet van mensen die denken “in de wereld” te leven alleen omdat ze veel mensen om zich heen hebben. Ik ben opgegroeid in Longarone in een groene omgeving; dat is mijn vertrekpunt, en ook mijn aankomst.
Gisteren nog las ik “De acht bergen” van Paolo Cognetti. Prachtig; bij meer dan één passage had ik tranen in mijn ogen. Een andere passage deed me juist glimlachen: “Ze hebben er heus niet voor gekozen – zei hij. Als iemand hoog gaat wonen, is dat omdat ze hem beneden niet met rust laten” – “En wie zit er beneden?” – “Bazen. Legers. Priesters. Afdelingshoofden. Dat hangt ervan af.”
Misschien heeft het hier zijn voor mij ook een therapeutisch effect, als tegenwicht voor het feit dat mijn werk betekent dat ik de hele dag verbonden ben en voortdurend met mensen omga, vooral via sociale media, waar weinig wordt gediscussieerd en veel wordt geruzied. En waar het slechtste van ons naar boven komt.
De eenzaamheid: die kun je niet onvermeld laten. Ik heb haar zelfs in de titel gebruikt. Ik voeg niets toe aan wat Fabrizio De André erover zei (https://www.youtube.com/watch?v=S-RiRuCmZlQ) tijdens een van zijn concerten, toen hij het album “Anime Salve” voorstelde, dat van “Dolcenera”, om elkaar te begrijpen.
“Anime salve betekent eenzame geesten. Het is een soort lof van de eenzaamheid. Het is bekend dat niet iedereen zich die kan veroorloven: de ouden kunnen het zich niet veroorloven, de zieken kunnen het zich niet veroorloven. De politicus kan het zich niet veroorloven: een eenzame politicus is doorgaans een politicus die het kan schudden.
Maar in wezen geloof ik dat je, wanneer je alleen met jezelf kunt zijn, gemakkelijker contact krijgt met wat je omringt, en wat ons omringt bestaat niet alleen uit onze gelijken; ik zou zeggen dat het bestaat uit het hele universum, van het blad dat ’s nachts op een veld ontspruit tot aan de sterren. En je slaagt er beter in je af te stemmen op die omgeving, je slaagt erin beter over je eigen problemen na te denken, ik geloof zelfs dat je betere oplossingen vindt, en omdat we op onze gelijken lijken, geloof ik dat er ook oplossingen voor de anderen te vinden zijn.
Hiermee wil ik geen lofrede houden, noch op het anachoretendom noch op het kluizenaarschap; het gaat er niet om kluizenaar of anachoreet te worden: het is dat ik door mijn levenservaring heb vastgesteld, en het was een leven (ik bewijs mijn leeftijd niet met mijn identiteitskaart), ik geloof dat ik het geleefd heb; ik heb beseft dat een mens alleen me nooit bang heeft gemaakt, terwijl de georganiseerde mens me altijd erg bang heeft gemaakt.”
Genoeg. Einde van de persoonlijke kanttekening, om bij het “politieke” te komen. Werk opnieuw doordenken is een fundamentele stap om in evenwicht te blijven tussen wat we zijn en wat we willen zijn. Om niet door te slaan naar een verwijdering van onze ambities of – erger – van onze aard. We beleven een enorme ambivalentie, met een steeds dwingender proces van verstedelijking dat ons verplicht na te denken over wat de Verenigde Naties, en met hen de regeringen, Healthy Cities noemen, veerkrachtige steden. Om de veranderingen te ontwerpen die nodig zijn om van onze metropolen geen bunkers meer te maken maar leefbare plekken. En gelukkig maar dat dit gebeurt, dat spreekt vanzelf. Al valt er ook over de manier waarop stedelijk groen wordt aangelegd heel wat te discussiëren.
In kleinere steden zijn de huren lager, en een dertiger kan zich een fatsoenlijke woning helemaal voor zichzelf veroorloven en zelfstandig rondkomen. Ook je verplaatsen kost minder, vooral in tijd. De lucht is beter (niet overal, maar in Belluno zeker wel).
Natuurlijk, er zijn geen 27 bioscopen en 84 theaters, geen zomercursussen voor kinderen over om het even wat, geen 10 verschillende judoscholen enzovoort, maar zoals een heel bekend iemand zei: dat is allemaal bovenbouw. In zekere zin zegt ook de lieve Miss Jane Marple (https://it.wikipedia.org/wiki/La_morte_nel_villaggio) hetzelfde wanneer ze haar neef Raymond uitlegt dat “het leven in de grond overal wezenlijk hetzelfde is” in de belangrijke dingen.
Tegelijk voelt wie in de stad woont de dringende behoefte om in het weekend te vluchten en een toevlucht te zoeken op eenzamere plekken. En het resultaat zijn zondagmiddagen met lange files op de wegen tussen onze dorpen (twee zondagen geleden schatte men 33.000 auto’s op de SS51 Alemagna!), met mensen die, zoals een dierbare vriendin van mij, antropologe en onderzoekster van de donkere mechanismen van het toerisme, graag zegt, “door plaatsen heen trekken als zombies”. Ik kan niet anders dan denken, als ik naar deze mensheid kijk, dat we nog te weinig begrepen hebben van het verschil tussen noodzakelijk en niet noodzakelijk. Het lijkt of we daar het rad staan voort te duwen dat ons achtervolgt en waarvoor we op de vlucht zijn.
Uiteindelijk wist ik het wel: het is me niet gelukt het persoonlijke, het karakter, gescheiden te houden van het sociale.
Anderzijds, om een leus van de feministische strijd te citeren (altijd goed om te citeren): “het persoonlijke is politiek”. De keuzes die ons persoonlijke leven betreffen, en die soms voortkomen uit het feit dat we onszelf niet echt begrepen hebben, worden politieke feiten, in de zin van de polis, van de gemeenschap. Maar ook: wat onze persoon aangaat, heeft het belang van een gemeenschapsfeit. Heel banaal, maar ik ben het ermee eens.
Om terug te komen op de focus waar de goede Michele me om vroeg: ik geloof dat het net ons vandaag de mogelijkheid biedt om in een landelijke omgeving te blijven wonen en toch in wisselwerking te staan met werelden daarbuiten. Kruisbestuiving is nodig, en positief, zolang de genius loci niet verloren gaat. Zolang we ons inspannen om niet allemaal beesten te worden die grijze holen bouwen met allemaal dezelfde “kantoorplanten”, wie weet met een geregistreerd merk. (Dingen die ik gezien heb, hoor!)
Het mooie is dat ik die positieve gisting in Belluno zie. Mijn generatie (wie tussen de jaren ’80 en ’90 geboren is) komt in actie. Ik zie vulkanische bureaus voor digitale communicatie, die het gebied laten opbloeien door op te pikken wat ze dankzij het net aan positiefs in de rest van de wereld waarnemen. Een prachtige poging tot coworking midden in het centrum die Distretto Creativo heet, om nog maar te zwijgen van het project Dolomiti Contemporanee, dat geen introductie behoeft. Eigenlijk zeg ik niets nieuws: we hebben het over het begrip hyperlokaal, waarover, als het u interesseert, veel goede literatuur bestaat.
Het zijn tekenen dat we in ontwikkeling zijn. Tekenen dat er een alternatief is voor het al te vaak rondgebazuinde tweeluik: ik wil meer en dus vertrek ik / ik blijf, maar ik geef dat “meer” op dat ik elders zou kunnen hebben.
Ik hoop dat u het niet vervelend vindt als ik afsluit met een nog algemenere opmerking. Ik geloof – en hier leen ik de gedachte van Noam Chomsky – dat er in deze digitale evolutie vruchtbare grond is voor een nieuw libertair denken, dat de technologie gebruikt om in de eerste plaats een arbeidsethiek in praktijk te brengen, om te proberen los te komen van de logica dat je noodzakelijk in de stad moet wonen, met torenhoge huren, die je dwingen heel veel te werken maar vooral om banen te aanvaarden die we in werkelijkheid niet zouden willen, omdat we anders de status quo die we voor onszelf hebben vastgelegd niet zouden kunnen handhaven.
Juist dezer dagen las ik een zeer interessante tekst (http://www.eleuthera.it/scheda_libro.php?idlib=351), waarin twee hedendaagse denkers, twee sociologen, Manuel Castells en Tomás Ibañez, in gesprek gaan over vrijheid in het digitale tijdperk.
“Het gaat er hier niet om de gebruikelijke twist weer op te rakelen tussen wie gelooft dat de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën ons naar een apocalyptische toekomst voeren en wie daarentegen gelooft dat ze ons naar een idyllische toekomst voeren”, benadrukken de twee intellectuelen.
“Het gaat er veeleer om te observeren of die tegengestelde effecten, die zich in de huidige ervaring gelijktijdig voordoen, passen in een dynamiek van gezamenlijke ontwikkeling, of deze ambivalentie kan worden gedacht en geanalyseerd in termen van een of andere vorm van wisselwerking tussen de elementen waaruit zij bestaat. […] Het gaat erom na te denken over de tegenstrijdigheid, de ambivalentie, het conflict, de verwevenheden, de spanningen die het huidige moment kenmerken. Ik stel niet voor een vooruitblik te ontwikkelen op hoe de toekomst zal zijn, maar ons te concentreren op het naast elkaar bestaan van deze twee tegengestelde dynamieken.”
Per slot van rekening denk ik dat het net een grote kans biedt, niet alleen aan kleine steden en dorpen maar aan de hele samenleving, om te proberen andere wegen te volgen in de richting van meer autonomie en meer trouw aan onszelf. En ik geloof ook dat bedrijven, vooral grote bedrijven, in dit alles een fundamentele rol spelen. Het is zeker geen schande om naar de stad te trekken op zoek naar werk dat hier niet te vinden is. Ik denk dat de evolutie die we beginnen in te ademen een flinke adem zou halen uit een krachtige koerswijziging van bedrijven naar een logica van spreiding, en naar een gebruik van het net en van de technologieën dat eindelijk een van de oneerlijkste illusies van moderniteit ontmantelt: die van het oude telewerk, dat ver afstaat van een logica van autonomie en waardering van het individu. Werken in een netwerk is niet telewerken; het is in de eerste plaats relaties scheppen.
[Disclaimer – Ik ben in Belluno geboren, maar ik heb wel in de stad gewoond: op mijn 18e ben ik voor de universiteit zes jaar elders gaan wonen: drie jaar in Venetië, twee in Florence en één in Triëst. Op mijn 25e ben ik teruggekeerd, na mijn master, toen ik begon te werken en me als zelfstandige inschreef]
